|
|
|
De achtkante
stellingmolen is gebouwd op een schuur welke ondermeer plaats biedt aan twee
kollergangen, de hoofd - en de bijmolen genaamd. Voor - en naslag, vuisters en
overige werkruimten. Het achtkant rust via het tussentafelement op het
ondervierkant dat het centrale deel van de schuur vormt en bestaat uit de stellingzolder, en verder
de pelzolder, de lui - en de kapzolder. In de vloer van de
pelzolder zijn tussen de bintbalken twee koppels pelstenen gesitueerd.
Om de molen aan het werk te zetten hebben we uiteraard wind nodig (we hebben het hier dus niet over watergedreven molens, waarvan we er in Nederland nog ca. 160 hebben) Hoeveel wind en uit welke hoek, hangt af van het werk dat de molen moet verrichten en zijn omgeving (biotoop) Een korenmolen kan al genoeg hebben aan een matige windkracht 3, terwijl we om gerst te kunnen pellen minimaal 5 nodig hebben. Een zwaar belaste poldermolen begint ook pas echt lekker te draaien bij 5 . Oorspronkelijk werden windmolens in het vrije veld, buiten de bebouwing gebouwd, of bovenop de stadsmuren zodat ze rondom een vrije windvang hadden. In onze tijd is dat helaas wel anders, veel molens staan nu ingeklemd tussen oprukkende steden - en industriebouw en hebben dus een slechte biotoop. Ook zijn we tegenwoordig een stuk voorzichtiger met het kappen van bomen. Het gevolg hiervan is dat veel molens last hebben van wind - belemmering, dit veroorzaakt slechte windvang en turbulentie met gevolg dat een molen met een dergelijke biotoop slecht en onregelmatig draait. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de werking maar evenzeer voor de belasting van de constructie. Op de hoogste zolder van
de molen, de kapzolder genaamd, bevindt zich de bovenas waarvan de askop met
daaraan het gevlucht (de wieken) buiten de
kap steekt. Op het deel van deze as binnen de kap is het grote bovenwiel
bevestigd dat via een haakse overbrenging met bonkelaar,
de koningsspil aandrijft. Deze koningsspil loopt van de kapzolder door tot de
werktuigen onderin de molen.
Onder de kapzolder bevindt
zich de luizolder met het luiwerk,
waarmee met hand - of windkracht zakgoed e.d. kan worden gehesen, en het op de
koningsspil vastgewigde ravenwiel met de pelschijven
. Dit ravenwiel drijft via de
pelschijven en de steenspillen de beide pelstenen aan. Om te vermijden dat bij
het pellen ook de zware wentelas welke veel lager in de molen ligt, meegedraaid moet worden is de koningsspil
direct onder dit ravenwiel in tweeën
gedeeld en voorzien van een voor Nederland
unieke koppeling door middel waarvan de
verbinding met de onderbonkelaar kan worden onderbroken. Het
volledige vermogen van de molen wordt dan dus overgebracht op de pelstenen.
Het produceren van olie uit oliehoudende zaden zoals koolzaad, lijnzaad en raapzaad, vraagt minder vermogen dan het pellen en kan dus plaats vinden bij een geringere windkracht. De werktuigen hiervoor zijn onderin de molen geplaatst en dient dus de gehele koningsspil te draaien. Daarvoor wordt de koppeling tussen de twee delen hiervan hersteld. Wèl worden de pelschijven uit het werk gezet, dit om te voorkomen dat de pelstenen doelloos meedraaien. Helemaal onderaan de koningsspil zit de onderbonkelaar welke zowel het grote steenwiel voor de kollergang als de wentelas voor het slagwerk aandrijft. In de pelmolen wordt voornamelijk lijnzaad (vlas) verwerkt tot lijnolie, dit wordt toegepast voor zowel menselijke consumptie als voor technische doelen in bijv. de verf - en de meubelindustrie. Voordat we echter olie uit het zaad gewonnen hebben, ondergaat dit een uitgebreide behandeling beginnende onder de kantstenen van de kollergang. Deze kantstenen rollen over een vlakliggende steen, of in sommige gevallen een ijzeren plaat, het doodbed genaamd. Op dit doodbed wordt nu het lijnzaad verdeeld, zodanig dat het wordt geplet door de ronddraaiende kantstenen. Is dit zaad voldoende geplet dan wordt het in een metalen schuifring geschept. Deze schuifring ligt op een vuurvaste stookplaats, de vuister genoemd welke is afgedekt door een metalen plaat. Binnen deze schuifring draait een roerijzer om te voorkomen dat het zaad verbrandt. Nadat dit zaad zover is verwarmd dat de hierin aanwezige olie vloeibaar is geworden, wordt het met gebruikmaking van de schuifring in twee onderaan de vuister hangende zakken, de buulen genaamd, gestort. De gevulde buulen worden nu elk tussen twee aan de onderzijde scharnierend verbonden plankjes, de haar geklemd en tussen de staander en de jager in het voorslagblok geplaatst. (Zie afbeeldingen hieronder) De spaak
van de ronddraaiende wentelas licht nu de slaghei omhoog, waarna deze met het
volle gewicht op de slagbeitel valt. Deze slagbeitel wordt met elke slag dieper
in de voorslag gedreven en oefent daardoor een steeds toenemende druk (tot wel
100 kg/cm² ) op de haar en daarmee het warme lijnzaad uit, hierdoor wordt de
olie uit het zaad geperst en via een opening in het blok in een bak opgevangen.
Nadat de olie is uitgeperst blijft een droge harde lijnkoek over welke in de
appelpotten wordt fijngestampt tot lijnmeel dat tot veevoer wordt verwerkt.
|